Rollende banden (Transpirinaika 2006)

De telefoon is weer vroeg gezet. Ondanks de groene oordopjes ontwaken de fietsers. Met stijve spieren staan de meesten op, sommigen blijven in hun stapelbed liggen. Het ontbijt lonkt. Wij staan nog buiten in de kou. Het uitzicht kon slechter: bergen, weilanden en veel vee. Er heerst een heerlijke stilte die af en toe onderbroken wordt door het geluid van een koebel. Binnen zwelt het geluid aan tot veel rumoer. Soms komt er iemand naar buiten om een bidon van de fiets af te halen, of om te controleren of onze collega’s nog op spanning staan. Er heerst nervositeit. De zon breekt door, het is bijna half tien. Het is tijd om weer te vertrekken.
De eerste kilometers gaan over grof asfalt naar beneden. Een makkie. Toch denken we er niet te makkelijk over; je weet nooit wat er achter de volgende bocht verschijnt. Twee dagen geleden bijvoorbeeld. Toen we vol zaten met drie bar, toen ineens na het oversteken van de top een piste verscheen. “Een piste met tennisballen”, hoorde ik ze tegen elkaar zeggen. Ik smeekte om minder druk want het stuiteren was verschrikkelijk. De fietser moest weten wat ons nog te wachten stond, want na een half uur was het over en werd de weg weer glad. Nu dachten we veilig thuis te komen. Maar een uur voor thuiskomst werd het al kouder. Een enorme regenbui, later gevolgd door onweer en hagel zorgden ervoor dat beekjes veranderden in modderstromen. We werden zwart van de remblokken, het water was niet meer af te voeren. Wat een verschrikkelijke dag. We hadden een nacht nodig om te herstellen.
De zon komt op. Later dan gepland, want de hoge bergtoppen houden hem langer voor ons verborgen. Maar nu hij schijnt, warmt het goed op. Ik voel dat de fietser het ook merkt, want er vallen zweetdruppels op mijn profiel. Het asfalt van de klim is inmiddels verruild voor een piste, die met de kilometer slechter wordt. Eerst is het nog een platgereden pad, later komt het gesteente naar de oppervlakte. Het stuiteren wordt erger. Bovendien wordt de lucht dunner, waardoor er iets meer druk in ons komt. Het is nog even volhouden tot de top. De stroomdraad wordt eraf gehaald en we duiken een wei in met fenomenaal uitzicht. Andere banden worden verder naar boven gestuurd, om later over dezelfde weg weer af te dalen. Een leesfoutje. We halen snelheden van ruim 60 kilometer per uur. We worden duizelig van al dat gedraai en gestuiter. Maar eenmaal beneden mogen we een uur in de stralende zon drogen. Wat een genot na twee verschrikkelijke dagen. Dit is pas vakantie.
We gaan weer rollen. Door een verlaten dorpje, een boerenlandweg en vervolgens door weilanden. “Dit is niet de bedoeling, ik kan zelf wel rollen!”. Hij luistert niet. Eigenlijk zijn we wel blij; het stikt hier van de bramenstruiken en andere prikstruiken. Bovendien zie ik geen ruimte om te draaien; overal waar ik kijk zijn struiken en bomen. “Bij de grote bramenstruik het weiland in, om de eerste grote boom. Het staat hier toch duidelijk.” De wanhoop klinkt door in de fietser zijn stem. Hij is bang hoe ver het nog is. Wij wachten geduldig af tot we weer gaan rollen. Het duurt ongeveer een uur voordat we weer aan de slag gaan. Eerst gras met keien, dan passeren we een hek en gaat het pad over in grijze stenen. We kunnen net zo goed thuis langs een spoorweg gaan rijden, dit is geen pretje. Bovendien stijgt de weg aardig, waardoor het nog langer duurt voordat we weer thuis zijn.
Na anderhalf uur klimmen zijn we er. De top is van betonplaten, zeer bijzonder zo boven de 2.000 meter. Het is ijskoud door de harde wind. We willen best rondrijden en van het uitzicht genieten, maar we moeten eerlijk zijn. We zijn als laatste boven gekomen, en de andere banden hebben het ijskoud. Dus duiken we meteen de afdaling in. Prachtig! Voorvorkvering aan en laat maar lopen. Na een kwartier dalen komt de onzekerheid. We zitten toch wel op de goede weg? We zien of horen niemand volgen. Wachten dan maar en genieten van het prachtige uitzicht. Daar beneden in het dal moeten we zijn en daarachter zien we de contouren van de laatste klim. Na een paar minuten komt de eerste achtervolger. Er wordt wat gemompeld over slechte remmen en een lekke band, maar al gauw rijden we zo hard als mogelijk is. Eenmaal beneden wachten we op de rest. We worden tegen een waterbak voor het vee neergezet, terwijl we lekker genieten van een zwak zonnetje, zo aan het eind van de dag. De fietser neemt zijn laatste reepje, zijn zoveelste vandaag. Op het moment dat hij het wegspoelt met water komen de laatsten om de hoek vliegen. We gaan aan het laatste gedeelte beginnen. Doorrijden, anders heeft de fietser geen warm water met douchen.
Een prachtige kloof, met een asfaltweg die naar beneden loopt. Uitrijden, dus? Morgen wacht weer een zware dag. Maar nee, er wordt een serieuze finale gereden! We willen een cooling down, dit is slecht voor ons loopvlak. Morgen hebben we last van stug canvas… Er wordt gereden en gesprint alsof er prijzen op de streep liggen. Het tempo zakt, er wordt gelachen. Wij lachen niet mee, morgenochtend zijn wij de laatsten die lachen. Dan werken wij niet mee. Maar eerst uitrusten onder de turboboom. Hier hoeven we gelukkig niet aan de ketting te liggen. Het belooft een koude nacht te worden, dat is goed voor het herstel. Binnen klinkt het geluid van borden en glazen, het eten zal weer smaken. Al een half uur na het laatste gerinkel is er stilte in het huis. En weer een kwartier later wordt de was binnengehaald. De lichten gaan uit. Er klinkt tevreden gesnurk. Wat een reis, we hebben thuis veel te vertellen.

 George en Frans, bedankt.

 Jeroen Rietvelt, november 2006