Geweldig toch! (Transpirinaika 2006)

Het knarsen van het grind onder het profiel van de Schwalbe verraadt dat er nog vaart in zit, de teller zegt ook dat er sprake is van voortgang en wanneer je aan je rechterzijde bovendien ziet dat de ene boom de ander opvolgt weet je dat je langzaam aan dichter bij het punt komt waarop ook deze klim een einde kent en dat er een afdaling zal volgen. Voorlopig is er niet meer dan de noodzaak om de pedalen draaiende te houden. Als je goed luistert hoor je dat het vallen van de zweetdruppels een sissend geluid nalaat op het terrein dat "genomen" wordt. Hetzelfde terrein dat uit alle macht probeert je te "vangen", probeert je staande te houden, maar het uiteindelijk moet doen met de nagelaten sporen van de banden. Je realiseert je dat de sporen die je voor je ziet afkomstig moeten zijn van groepsgenoten die blijkbaar ook vandaag weer harder fietsen dan jij en je zet derhalve nog een "tandje"bij. Na de volgende bocht is de top vast in zicht.
Het kaartje op het stuur vertelt je: 17,5 km n.s.a.l., (inmiddels bekend jargon voor "negeer stijgende afdaling naar links"), en stiekem hoop je dat je teller niet goed staat. Maar de "rug" in de verte maakt je wakker: de anderen klimmen nog, dus negeer de teller. Slok uit de bidon en gewoon blijven trappen.
Er zijn nu éénmaal momenten dat je even lijkt te vergeten hoe prachtig de omgeving is, maar als zo’n moment zich aandient is er direct het realiseren ervan en kun je wederom verdwalen in de schoonheid en dwalen de gedachten weer naar binnen. Je bent gewoon weer lekker aan het fietsen en je bent blij dat je doet wat je doet en vooral blij dat je kunt doen wat je doet.
Zo’n prettig moment, de stilte, de ruimte, het zien van die enorme roofvogels die op zo’n grote afstand nog steeds echt groot zijn, dat alles doet je hopen dat je zo’n beest niet opeens voor je wiel krijgt. Of dat je te maken hebt met een demente roofvogel die zo’n mannetje op een fiets toch wel veel overéénkomsten vindt tonen met een vervallen schaap en poogt zijn klauwen in je rug te zetten.
Zulke gedachten maken zich van je meester, maar dan plots wordt de stilte doorbroken door geknars van "iets"achter je. Je denkt nog even dat het inderdaad een gevleugelde vijand is, maar het blijkt Paul te zijn. Paul heeft de gewoonte om met "ogend gemak" langszij te komen. Nog even een vriendelijk woord, een knikje en dan langzaam van je weg fietsen. Je probeert nog een gesprekje aan te knopen maar langzaam aan wordt de afstand tussen enerzijds jouw voorwiel en anderzijds zijn achterwiel net te groot en even later zou er haast geschreeuwd moeten worden om elkaar nog te kunnen verstaan. Dus dat gesprekje moet maar even wachten.
En je fietst weer alleen, dus gedachten winnen het weer en je vraagt je af of die koeien het niet zat worden om altijd maar op een helling te staan. Hebben ze een voorkeur om de helling aan linker- of aan rechterzijde te hebben? Zouden ze geen heupproblemen hebben?
Op één van de tochten vinden we op "hoogte", tijdens een "fiets op de rug moment" (soms is het echt te stijl om te fietsen en moet deze gedragen worden),  een paar botten, een stuk kaak, een dijbeen. Volgens Martijn allemaal afkomstig van een koe en ik begin te vermoeden dat er iets met die koe niet in orde is. En inderdaad wordt mijn vermoeden bevestigd, hogerop blijkt het restant van het dier te rusten. Er is niet veel van over, de roofvogels hebben er hun maal mee gedaan. Ik vraag me wel af wat dat beest op die enorme hoogte te zoeken had. Voelt zo’n koe dat zijn einde nadert of had het dier net zo’n beroerd navigatiesysteem als ik en was het gewoon verdwaald?
Het is een prachtige etappe, dwars door een weiland, zompig zuigend. Geen pad, dus zelf spoor maken. Geen vaart verliezen, anders zit je tot ruim boven je enkels in de modder. Je voorganger volgen of toch maar niet? Nee, eigen pad, stukje naar links lijkt harder, prima keuze, of toch niet, net op tijd uit je pedaal, gatverdamme, proberen weer vaart te maken!
Na lang ploeteren het weiland uit en vervolgens een riviertje, kijk dat is interessant. Waar ga je er doorheen? De vijfde weet dat de eerste vier pogingen niet verstandig waren dus toch maar een ander plekje zoeken en de zesde doet daar zijn voordeel mee. De fiets is direct een stuk schoner, maar dat blijkt van korte duur. Het volgende modderige pad dient zich aan.
Dit vind ik eigenlijk wel één van de meest bijzondere elementen aan deze tocht: je komt op plekken waar je normaliter nooit zou komen. Lopend leg je minder kilometers af en met de auto kun je er niet komen.
De ene dag rijden we over een deel van het pelgrimspad van Santiago de Compostella. Grappig daarbij is dat we per abuis een afslag te vroeg op dit pad belanden en daardoor een bijzonder stukje technisch parcours voor onze kiezen krijgen, waar Patrick en Martijn ons een lesje in beheersing van de fiets geven. Maar je realiseert je tegelijkertijd dat je fietst waar ik weet niet hoeveel mensen (met een andere insteek) over ditzelfde pad hebben gelopen.
En een dag later ben je op een plek waar je als je van je fiets afstapt om bij de één of andere boom je blaas te legen (alleen het vocht waar de zweetklieren niet aan toe zijn gekomen) het heel goed mogelijk is dat jij de eerste bent die op dat specifieke plekje van de aarde je voeten neerzet. Dat te beseffen geeft alleen maar meerwaarde aan de opluchting. Na binnenkomst zijn daar de pinda’s en het biertje, het evalueren en de conclusie dat het ook vandaag weer heel bijzonder was. Terloops een blik op de fiets werpend weet je dat het echte ontspannen nog even op zich laat wachten: er dient gepoetst/gesmeerd en hersteld te worden.
Het spreekt voor zich dat niet alleen de benen maar ook de fiets onder het geweld te lijden heeft. Gelukkig hadden wij Frits en Bert.
Frits, verpleegkundige, maar blijkbaar in staat tot E.H.B.O. voor lichaam én fiets.
En Bert, voorheen fietsenmaker, nou dat verleden haalde hem al rap weer in:

"Bert,….,als ik hier duw, dan beweegt het daar!, klopt dat?"
"Bert,…., mag deze olie hier wel tussen?"
"Bert,…., m’n versnelling hapert!"
"Bert,………."

Op zo’n moment besef je wel dat het op zich best handig is wanneer je enige kennis hebt over hoe zo’n fiets in elkaar zit, zodat je zelf het één en ander opnieuw af kunt stellen.
Nadat de fietst gepoetst is dient ook het lichaam enigszins gereinigd te worden, evenals de kleding. Hierbij is het altijd weer zoeken naar een plekje voor je natte kleding, daarbij rekening houdend met de volgende morgen, want waar had ik dat nou ook weer opgehangen?
Na het eten komt George met het plan en de route voor de volgende dag, waarbij het niet geheel onbelangrijk is om te weten waar Frans en George ons met de lunch zullen staan op te wachten.
Nog een kopje koffie, waarna de meeste mensen toch redelijk bijtijds te bed gaan, want morgen is er weer zo’n dag,

Geweldig toch!

Peter van Wensveen, september 2006