Volgend jaar willen we weer!

“Volgend jaar willen we weer, maar dan coast to coast door de Spaanse Pyreneeën”. Dit waren de woorden die we na onze tocht van vorig jaar (Caldegues-Caldegues) aan Col d’Extrême mailden. Een paar maanden later kregen we een telefoontje dat er van alles mogelijk was en of we niet onder het genot van een hapje en een drankje even uiteen wilden komen zetten wat we precies wilden. Natuurlijk waren we meteen razend enthousiast. Na een avondje foto’s en tot de verbeelding sprekende verhalen werd er serieus werk gemaakt van onze plannen. Het zou een reis van 21 dagen worden, waarbij globaal de route zou worden gevolgd van de Transpirinaika. Net als het jaar daarvoor zouden we zelf onze bagage vervoeren.
Onze auto neergezet in Caldegues, gingen we in eerste instantie op de fiets over de Col de Puymorens richting Foix. Daar verbleven we in een prachtige chambre d’hôte, gerund door twee gezellige landgenoten, die een heerlijk diner voor ons bereidden. Heel vroeg in de ochtend werden we op de trein naar Biarritz gezet, omdat we van daaruit zouden gaan fietsen. Het bleek best geinig om het hele stuk eerst (op Franse bodem) met de trein te gaan om vervolgens terug te fietsen in oostelijke richting.
In Biarritz aangekomen, met de ”boemel“ verder naar St Jean-Pied-de-Port, vanaf waar we gedeeltelijk onverhard verder zouden gaan. Het was meteen weer adembenemend. Prachtige bergen, kuddes met paarden en grazende koeien en een rust die je kippenvel bezorgt. Aangekomen bij de eerste albergue merkten we meteen dat ons zelfgeleerde Spaans goed van pas kwam. Het eten was prima en natuurlijk stond de wijn weer op tafel. Volgende dag door Spaans Baskenland verder naar Urzainki. Langs een prachtig stuwmeer en dito onverharde weg, zwetend als een otter door, naar de toppen van de Pyreneeën.
De etappes werden dag na dag mooier. De woestheid van de Spaanse Pyreneeën is niet te beschrijven, die moet je meemaken. Het gevoel van totale vrijheid als je met je toch weer te zwaar bepakte fiets een weg door de kiezels en keien zoekt. Soms kom je door superkleine dorpjes, die nog niet eens een café hebben, maar wel een heerlijk zwembad. De overnachtingsadressen waren wederom voortreffelijk. Hele leuke albergues, waar men wijn uit grappige glaasjes dronk en waar de plaatselijke bevolking altijd in was voor een hakkelig Spaans praatje. We verbleven in luxe hotelletjes en primitieve berghutten. We kregen rode wijn bij het ontbijt in Tuixent. We hebben geslapen tussen 100 Spaanse kinderen in een casa de colonies, maar ook in een omgebouwd klooster. We hebben gezwommen in een drinkbak voor het vee die werd gebruikt als alternatief zwembad, maar ook in een soort bronnetje in de rivier, dat we alleen op advies van de eigenaar van de albergue konden vinden.
Onze tocht ging soms over paden die geen pad meer genoemd konden worden (in de winter was de pista door een aardverschuiving weggevaagd), door kloven waar jonge everzwijntjes ons pad kruisten en over paden waar je door het stijgingspercentage en de aard van de ondergrond niets anders kon doen dan je fiets omhoog duwen en er zelf naast lopen. We hebben gefietst over een oude hangbrug, door tunnels waar je zonder licht bijna niets zag (best eng), door vele doorwaadbare plaatsen in de rivier en boven de wolken in de zon. We dronken 6 à 8 liter water per dag, bijna allemaal gewoon uit een fuente getapt. Toen we uiteindelijk weer terugkeerden op Franse bodem, bleek de Col d’Ares vreemd genoeg aan de Spaanse kant hoger aangeduid dan aan de Franse kant, een paar meter verder.
Kortom wij hebben een heerlijke vakantie gehad die perfect georganiseerd was, wederom weer veel te kort duurde, waar we veel afgezien hebben, maar bovenal héééééél veel hebben genoten.

Anne en Jeroen
augustus 2004