Coast to Coast 2002
Deze reis was voor ons de eerste in georganiseerde vorm. Normaal bepalen we alles namelijk zelf, maar nu deed “Col d’Extrême” dat voor ons en het is ons prima bevallen.
In vergelijking met meer primitief kamperen hadden we het niet te onderschatten voordeel van minder gewicht op de fiets plus het comfort van een bed om in te liggen, een stoel om op te zitten en het feit dat er na afloop van de dagelijkse slijtageslag voor ons werd gekookt.
De tocht verliep prima. De eerste dag was alleen over asfalt en was voor mij zwaar, omdat ik niet had getraind. De volgende dag was ik al ingetrapt, waardoor ik meer van de natuur kon genieten. Deze dag gingen we voor het eerst off road, over fijn gravel zonder al te hoge stijgingspercentages. Als alle off road tracks zo zouden zijn zou het een makkie zijn, maar niets was minder waar.
Zo moesten we de dag daarna al van de fiets om dwars door de bossen, steil omhoog, een pad (een gravelpiste) zien te bereiken, vanwaar we de Port Larrau moesten beklimmen. Ondertussen bevonden we ons in the middle of nowhere en kwam tot overmaat van ramp de regen met bakken uit de hemel. De gedetailleerde routebeschrijving was onder deze omstandigheden amper meer te lezen en ons richtinggevoel was inmiddels danig afgenomen. Dat was de eerste serieuze ontmoeting met de avonturen die “Col d’Extrême” voor ons had bedacht en er zouden nog veel zwaardere volgen.
De Col de Sahún bijvoorbeeld. Een off road col, die ons 3 uur heeft gekost om de bijna 2000 meter hoge top te bereiken, via een piste bezaaid met grove kiezels. De afdaling was voor mij zo mogelijk nog erger: kramp in mijn handen van het remmen en pijn in mijn schouders van het gebukt zitten. Maar het uitzicht was prachtig en dat gaf een enorme voldoening. Eenmaal in de gastvrije albergue ben je de pijn dan al weer snel vergeten.
Het mooiste dat ik ooit aan natuurschoon heb gezien, moest echter nog komen: de Aiguas Tuertas. Een prachtige aanloop langs een riviertje, stroomopwaarts, over asfalt dat geleidelijk overgaat in een gravelweg. Met de ondergrond verandert echter ook het stijgingspercentage en op een gegeven moment ben je gewoon aan een ‘echte’ col bezig met diverse switchbacks en zie je uiteindelijk waar je heen moet. De stenen worden steeds grover en je slipt vaak weg. Je probeert om de ideale lijn te rijden, maar je zwenkt van links naar recht, zoekende naar de beste ondergrond. Om je heen kijken kun je bijna niet, al je concentratie heb je nodig om niet te vallen. Als we dan eindelijk boven zijn, moeten we ons door een barrière van rotsblokken worstelen en wat zich dan openbaart, had ik nog nooit eerder gezien.…. een zo goed als horizontale vlakte van een paar kilometer lengte op ruim 1600 meter hoogte, helemaal groen, met in het midden een meanderend riviertje, wilde dieren, prachtige vogels en bijna geen mensen.
Dit stuk natuur laat zien hoe mooi de aarde kan zijn en wat de mens ermee doet. Hier hebben we zeker 1,5 uur gezeten en genoten, alvorens we er overheen trokken. Over het gras konden we gewoon fietsen, het was er vrijwel horizontaal, alleen moesten we af en toe door de rivier heen. Daarna dwars door een kudde koeien, waarna we bijna werden aangevallen door twee stieren. De afdaling was ronduit gruwelijk: fietsen was onmogelijk. Er lagen alleen brokken steen waarover we de fietsen vaak tillend naar beneden moesten vervoeren, af en toe over richeltjes van amper 30 cm breed met pal er naast een serieuze diepte. Lopend kwamen we dan uiteindelijk beneden en bij de albergue beseften we tijdens een biertje nog amper wat we die dag hadden meegemaakt. Dit was echt een vakantie vol avontuur en het onbekende. Geweldig!
Joris den Dulk, Arie den Dulk en Robbert v.d. Zwan
juli 2002

